Lennart Leutert: Voor de herkansing

Je moet altijd naar het tentamen gaan. Als je zeker weet dat het niet gaat lukken, kun je er altijd heen gaan om te kijken wat voor soort vragen er gesteld worden. Dan weet je dat voor de herkansing. Zo besluit ik na een week griep onvoorbereid en wel een kijkje te nemen. Zoals alle lastige tentamens heb ik deze om 9 uur ’s ochtends. In de Aletta Jacobshal. Fietsen in de kou en door de regen via de Zernike-route, gemoedelijk in een optocht met lotgenoten.
Gijs heeft ook een tentamen. Hij staat te roken in een opgefokte menigte, terwijl hij glazig voor zich uit kijkt. Hij is brak.
‘Ik ben brak’ zegt Gijs.
‘Ik zie het,’ zeg ik, terwijl ik er eentje opsteek.
‘Ik heb daarbinnen net in die wasbak staan zeiken.’
‘Waarom heb je in de wasbak gezeken, Gijs?’
‘Ja, dat ging per ongeluk. Zeg nou zelf, die dingen lijken gewoon op pisbakken. Wat is er mis met een normale wasbak met kraan?’
‘Daar heb je een punt. Ga je het halen denk je?’
‘Wat, het tentamen? Ik dacht, je kunt beter wel gaan. Als je denkt dat het niet gaat lukken, ga je er gewoon heen om te kijken wat er gevraagd wordt.’
‘Dan weet je dat voor de herkansing,’ zeg ik.
‘Inderdaad.’
Naast ons begint de meute zich naar binnen te bewegen. We gooien de peuken weg en ik drink nog snel mijn koffie op. Alles gaat moeizaam, door de koppijn en het besef van de kansloze missie.
Na vijf minuten heb ik de vragen eens goed bekeken. Ik kan er geen chocola van maken. Gijs springt op van zijn stoel en zet het op een lopen. Hij lijkt te kokhalzen. De antwoorden die ik vooral op basis van gokken invul resulteren in een interessant patroon op mijn antwoordformulier. Mocht ik het tentamen niet halen, dan heb ik in ieder geval een mooie tekening. Nu jij weer. Terwijl ik wacht tot de eerste studenten vertrekken vraag ik me af of het een mens niet meer slecht dan goed doet om een tentamen te maken in de zekerheid van falen.
Ik verlaat de zaal met Paul in mijn kielzog. Hij vraagt of het een beetje ging.
‘Weet niet. Even afwachten.’
‘Ja, ik heb het niet gehaald. Ik dacht, toch maar even kijken wat voor vragen er gesteld worden. Dan weet ik dat voor de herkansing.’
‘Zo is dat.’
Paul pakt zijn fiets en stapt op. Na een paar meter flikkert hij met fiets en al onderuit. Hij raapt het ding op en vervolgt gehaast zijn weg. Hij kijkt niet om of iemand hem gezien heeft. Dan is het net alsof het nooit is gebeurd.