ESNS 2018: Operatie Pappie Infiltratie

Een aantal dingen in dit artikel zijn overdreven, eigenlijk alleen maar om mij wat cooler te laten lijken.

Soms zingen er legenden rond in de stad, mythes waarvan je niet weet of ze waar zijn of niet. Sommigen houden jaren lang stand en andere houden het net een paar dagen vol. Eentje daarvan was bijzonder hardnekkig. Aan het einde van Eurosonic, op een druilerige vrijdagnacht zou er een feestje plaatsvinden. Dit zou niet zomaar een feestje zijn, maar een zeer exclusieve afterparty georganiseerd door niemand minder dan Kraantje Pappie himself.

Scepticus dat ik ben deed ik het verhaal af als wat ophypende onzin, maar op de zaterdagavond kwam daar verandering in. In ons gezelschap bevond ons een zeer ambitieuze jongeman die uit zijn portemonnee een kaartje toverde. Voor mij voelt het alsof ik Arthur een zwaard uit een steen zag trekken, want dit kaartje bevestigt alle geruchten die door de stad zoemen. Het kaartje was stevig, keurig matzwart met een sierlijke, gouden belettering. ‘Kraantje Pappie’ stond er nog op, alsof niet iedereen al wist om welk feestje dit zou gaan. Veel was nog niet duidelijk, alleen dat wij met ons vieren (de jongeman, een actrice, onze fotografe en ikzelf) dat feestje mee moeten maken.

‘’We hebben alleen wel een probleem.’’

‘’Wat dan?’’

‘’Nou, we hebben één kaartje en wij zijn met ons vieren.’’

‘’Fuck.’’

‘’Gaan we het alsnog proberen?’’

‘’Zeker, straks. Eerst even overleggen.’’ Mijn hart klopt nu al in mijn keel, terwijl we nog geen stap dichter bij onze bestemming zijn.

We storten ons snel weer in het feestgedruis, ESNS is immers een feestje en met een zeker niet onverdienstelijke set van My Baby op de achtergrond en een koud festivalpilsje in de handen beginnen we langzaam een plan te smeden.

‘’Ik zeg wel dat ik mijn kaartje kwijt ben geraakt.’’ Zegt de actrice, maar na genoeg gemompel kwamen we tot de conclusie dat de beveiliging daar nog sneller doorheen prikt dan Gerrit Hiemstra door de bullshit van Thierry Baudet.

‘’Ik zwaai wel wat met mijn perspas.’’ Voeg ik toe, met het stukje plastic tussen mijn vingers, alsof dat gelijk zou staan aan dat mokerexclusieve kaartje. We discussiëren tijdens het halfslachtig dansen nog een beetje door, maar een echt sluitend plan komt er nog niet. Helaas heb ik niet het organisatietalent van George Clooney in de Oceans-films, dus we gooien het op improvisatie, een boel goede moed en de alcohol die rijkelijk die onze aderen vloeit.

‘’Laten we gaan.’’ Zegt de knul naar een tijdje, de band speelt nog door terwijl wij de miezerregen in trekken, ik ga over alle mogelijke scenario’s, van eentje waar we glansrijk en glorieus champagne leeggieten terwijl de mooiste vrouwen uit de muziekwereld zich onzedelijk aan mij vergrijpen tot het scenario waarin ik dronken en tierend ‘’Weet je wel wie ik ben?!’’ loop te joelen tegen de beveiliger die hoogstwaarschijnlijk daadwerkelijk geen idee heeft wie ik ben alvorens ik met een boogje de straat over gebonjourd word.

 

Zo lopen we door de straten, de actrice en de jongen voorop, ik en de fotografe achter. Doen alsof we bij elkaar horen, met de stroom mee de kroeg in, in de chaos van iemand die ruzie zoekt voorbij de beveiliger hollen, alle mogelijkheden liggen nog open, dus ook de mogelijkheid om zielig alleen in de regen te eindigen.

‘’Ik dacht dat deze voor twee personen was, een introducé ofzo.’’ Zegt de jongen tegen de potige beveiliger die wel wat wegheeft van een duim met een gezicht. Hij kijkt nors naar het kaartje en schudt met zijn nekloze hoofd.

‘’Nee, eentje.’’ Bromt hij op een bozige toon. Op goed geluk zwaai ik met mijn perskaart voor hem langs.

‘’Deze dan? Kom je hiermee naar binnnen?’’

‘’Nee. Kaartje of blauw bandje.’’ Deze man is onverbiddelijk, maar in mijn hoofd begint er iets te draaien en te borrelen en ik bevind mij plots twee dagen eerder in de Oosterpoort, bij de servicebalie om wat bureaucratische, bijna Kafkaëske bullshit uit de weg te ruimen.

‘’Er is iets misgegaan met je accreditatie.’’ Zegt de hoogblonde servicemeid terwijl ze met haar lange nagels op mijn net tijdelijk ingeleverde perskaart tikt.

‘’Je had geen toegang tot het congres moeten krijgen.’’ Zegt ze streng, in mijn hoofd doemt vaag de herinnering op aan het alles aanklikken op de haastig ingevulde accreditatie en een mailtje van een vage lezing over iets wat mij totaal niet boeit.

‘’Ah.’’ Antwoord ik kort, geen idee hebbende welke richting dit gesprek opgaat. Ik weet alleen dat ik niet het charisma van Ben Hard heb, dus daarop zal het sowieso wel niet uitlopen.

‘’Dat betekent dat je eigenlijk een paars bandje had moeten hebben.’’ Vertelt ze, alsof ik nu een beter idee heb van waar dit gesprek heen zou moeten gaan.

‘’Oh.’’ Reageer ik, ik voel me vreselijk inadequaat, maar dat is ook niet moeilijk, gezien er in mijn tas alleen een half potje pesto en een zak volkorenpasta zit, terwijl de rest van het persvolk rondloopt met camerasystemen waar Spielberg en Hitchcock nog jaloers op zouden zijn.

Ze glimlacht.

‘’Maargoed, ik kan je moeilijk je bandje afpakken. Dus veel plezier.’’ Ze geeft mijn perspas terug en ik probeer te knipogen.

 

Mijn dronken toet bevindt zich weer in het heden, ik kijk naar mijn bandje. FESTIVAL + CONFERENCE staat er groot op. Gedrukt in blauwe, glitterende stof. Blauw. Blauwe stof. Blauw bandje. De redeneringsvermogen die ik heb opgedaan op de faculteit filosofie graven zich met moeite een weg naar boven terwijl de actrice zich op bijna Shakespeariaanse wijze naar binnen hosselt, de rol van haar leven.

‘’Bedoelt u dit mandje?’’

‘’Bandje.’’

‘’Bedoelt u dit bandje?’’ corrigeer ik mijzelf.

‘’Ja.’’ Weer kortaf, hij stapt opzij en ik werp een vlugge blik op mijn fotografe. Of allemaal, of niet is mijn credo. Je kunt moeilijk SK-leren als er maar één bezopen redactielid op locatie is. Ik steek een door alcohol gevoed betoog af dat ofwel het meest briljante is wat ik ooit heb verkondigd, ofwel het meest belachelijke is wat ik ooit heb uitgekraamd, maar na een aantal minuten tegen de Duim aangeboomd te hebben wijkt hij voor mijn eloquentie (of irritatiefactor) en verleent hij ons toegang tot het hedonistische Walhalla waar we al minstens een kleine dertig minuten van dromen.

 

Eenmaal binnen overvalt ons in de eerste plaats een onvervalst gevoel van euforie.

‘’We fucking did it!’’ mompelroep ik tegen mijn kompanen, waarvan we al ons eerste pilsje in de handen geduwd krijgen. We zijn er, de eindbestemming van Eurosonic. We bevinden ons onder de créme de la créme van de muziekwereld, denk ik. Ten eerste heb ik geen idee wie de créme de la créme zijn, ten tweede kan ik in het publiek welgeteld drie 3FM-DJ’s spotten, dus dat we goed zitten staat buiten kijf. We spoedden ons naar de garderobe en dumpen alle overbodige ballast voordat we ons in het feestgedruis storten.

 

Laat me je een ding vertellen, onder leiding van een kundige DJ en een MC met een snor waar Salvador Dalí nog jaloers op zou zijn is dit feestje aan. Nog meer aan dan de bureaulamp op mijn kamer die permanent aanstaat om inbrekers af te schrikken. Alsof we hier thuishoren doen we ons tegoed aan de gratis gin-tonics en het gratis pils en naarmate het alcoholpromille en de tijd vordert wordt het drukker en voller op de toch vrij kleine dansvloer. Ik maak kort met een paar DJ’s de dansvloer onveilig (ik dacht dat ik raar danste, maar ik spande lang niet de kroon) doe me op de bovenverdieping tegoed aan de complimentary sushi, sta een kwartier in de rij voor de volgende ronde drankjes en begrijp achteraf dat er zelfs flessen champagne zijn rondgegaan.

‘’Is Kraantje er zelf ook?’’ vraag ik.

‘’Weet niet, heb je ‘m gezien?

‘’Geen idee, ‘k zou bij God niet weten hoe hij eruit ziet.’’ Mijn desinteresse in de popmuziek wordt pijnlijk duidelijk.

‘’Ik wijs ‘m wel aan.’’

‘’Tof, dank je.’’ Een beetje overbodige opmerking blijkt achteraf, want de beste man schijnt nooit acte de presensce te hebben gegeven, want wat schreeuwt er meer artiest dan niet op komen dagen op je eigen feestje?

 

Zo feesten we er op los, er wordt hier en daar wat geregeld, we krijgen tequila om de kater van morgen nog net wat heftiger te maken en rond half vier strompel ik katjelam de kroeg uit, zonder de straat overgeworpen te worden, zonder dronken te hoeven tieren over wie ik wel niet ben. Ik steek een van een semi-BN’er gebietste peuk op en wandel naar de volgende kroeg. Operatie Pappie Infiltratie is geslaagd.

You may also like...

Reageer ook